Wat is de kleur van de dood? Deze vraag stelde ons zoontje Bo van 3 ons afgelopen weekend. Even tussen twee andere vragen door. We zaten in de taxi op weg naar de begrafenis van de oma van mijn vrouw Eline.

Wat kan één simpele vraag veel zichtbaar maken. Zoals een overlijdensproces zoveel zichtbaar maakt…

Zo voelt Bo feilloos aan dat de dood een belangrijk menselijk thema is, waar hij nu dan ook veel mee bezig is. Bo merkt aan Eline en mij dat het afscheid van oma iets groots is en ook voor hem wordt het daarmee groot. Daarnaast is het voor hem zijn eerste kennismaking met vergankelijkheid. Dat wat je liefhebt, kan ook (ineens) verdwijnen…

Ook zegt de vraag juist iets over de onbevangenheid van het vrije kind. De zwaarte van het afscheid, die Bo ook zelf voelt, belemmert hem geenszins om uit volle openheid en nieuwsgierigheid de vraag te stellen wat de kleur dan is van de dood. Wat fijn, om verdriet te kunnen afwisselen met deze heerlijke en oprechte onbevangenheid. Kennelijk vonden meer mensen dat. ‘Wat enorm fijn dat de kinderen er ook bij zijn.’ hoorden we veel van andere familieleden.

Verder wordt duidelijk dat Bo een concept als de dood koppelt aan iets visueels; een kleur. En zo werkt het. Onze vijf zintuigen gebruiken we niet alleen om de wereld om ons heen te ervaren. Ook ons denkproces krijgt vorm via deze vijf kanalen. Ga maar na, iedere gedachte bestaat uit beelden, geluiden, geuren gevoelens en zelfs smaken…

En tot slot maakt de vraag me weer duidelijk hoe onbekaderd een driejarige is. Als Bo aan de dood denkt, hoort daar een kleur bij alleen weet hij nog niet welke. Hij wil dat wel graag weten en vraagt ons daarom in volle openheid naar het antwoord. Is dit ook niet waarom kinderen zo snel leren, omdat ze weten dat ze niets weten en daarom zo openstaan voor nieuwe informatie?

Dit legt voor mij de link naar het thema identiteit, dat ook zo verbonden is met de dood. Identiteit, ‘datgene dat een mens uniek maakt in wisselende omstandigheden’, zoals Piet Weisfelt schrijft. Het woord is afkomstig van het Latijnse ‘idem facere’, oftewel ‘hetzelfde maken’.

En inderdaad, tijdens het afscheid leren we veel over de identiteit. Over relaties met familie en vrienden, woonplaatsen, dierbare herinneringen, kostbare momenten. Stuk voor stuk onherroepelijk gekoppeld aan en geassocieerd met ‘Oma Grootje’. Gekoppeld aan haar identiteit,  ‘hetzelfde gemaakt’ als haar. Bijzonder, dat we iemand (pas) zoveel beter leren kennen, juist op het moment dat deze persoon gaat.

Treffend ook hoe een begrafenis de polariteiten zo zichtbaar maakt. Over degene die er nu niet meer is, en daarmee over alles wat er voorheen daarmee juist wel (of juist ook niet) was, over de emotie in combinatie met alle praktische zaken, over het afscheid en juist de verbinding die het met zich meebrengt, over het verdriet in combinatie met de opluchting die er ook is, over saamhorigheid en verdeeldheid, over zwaarte en lichtheid…

En over niet meer zijn en zijn… En is dat niet het meest bijzondere. Onvermijdelijk reisde ik weer even terug naar de dood van mijn vader 8 jaar geleden. Een dag voor zijn overlijden werd ik me enorm bewust van dit zijn. Papa ademde nog, maar hij was er niet meer. Dat voelde ik zo duidelijk. Het lichaam was er nog maar hij was al vertrokken…Bij mijn vader was het overlijdensproces sowieso een fase waarin hij zo loskwam van alles wat ‘hetzelfde was gemaakt’ als hij…tot slot zelfs van zijn lichaam.

Het was fijn om afgelopen weekend te zijn.  Te zijn bij oma en haar leven, te zijn bij haar familie, bij elkaar en bij het verdriet en het afscheid. Gewoon, te zijn. En daarmee denk ik aan een gedichtje dat ik onlangs hoorde, met dank aan Oscar Plomp voor het delen tijdens onze opleiding Professional Coaching & Leiderschap:

Wie ben je?
Een stem vroeg: ‘Wie ben je?’
‘Ik ben Els’, antwoordde de vrouw.
‘Ik vroeg niet hoe je heet, ik vraag: wie ben je?’
‘Ik ben de vrouw van de burgemeester’, gaf ze als antwoord.
‘Ik heb niet gevraagd wiens echtgenoot je bent, maar wie je bent.’
‘Ik ben de moeder van vier kinderen.’
‘Ik heb niet gevraagd wiens moeder je bent, maar wie je bent.’
‘Ik ben Christen.’
‘Ik vroeg niet welke religie je aanhangt, ik vroeg wie je bent.’
‘Ik ben degene die bijna elke dag naar de kerk ging en de armen en minder bedeelden steeds heeft geholpen.’
‘Ik vroeg niet wat je deed, ik vraag: wie ben je?’

Toen had de vrouw geen antwoord meer, zij kon niets meer bedenken.
Haar geest was leeg. Er was alleen nog maar stilte.
En ineens, in die stilte, wist ze vanuit de diepte van haar hart: ik ben!
Toen fluisterde de stem: ‘Ja, dat ben je!’

Voor mij is de kleur van de dood op dit moment een fleurige jurk te midden van een groen grasveld. Dank je Oma Grootje, voor alle liefde die je Eline, en daarmee ook mij en onze kinderen hebt kunnen geven.

We gaan je missen.